Beheerder > Beveiliging configureren > Taken > De verbinding tussen Release Control en de LDAP-server instellen

De verbinding tussen Release Control en de LDAP-server instellen

U kunt de verbinding tussen Release Control en de LDAP-server instellen met het bestand ldap.properties.

De installatie van Release Control biedt twee ldap.properties-voorbeeldbestanden. Beide bestanden bevatten gedetailleerde instructies voor het instellen van de verbinding tussen Release Control en de LDAP-server.

In deze taak wordt beschreven hoe u de verbinding tussen Release Control en de LDAP-server instelt met behulp van het bestand ldap.properties.

  1. Selecteer Module > Beheerder > tabblad Configuratie > Beveiliging > Verificatie > LDAP-modus > Eigenschappen LDAP-server. In het rechterdeelvenster kunt u LDAP-informatie toevoegen.

  2.  Navigeer naar de <installatiemap van Release Control>\examples\ldap-examples en voer de voor u relevante stap uit:
    • Als u met LDAP Active Directory werkt, kopieert u het bestand ldap.properties.AD van <installatiemap van Release Control>\examples\ldap-examples naar uw lokale map.
    • Als u met LDAP SUN One werkt, kopieert u het bestand ldap.properties.SO van <installatiemap van Release Control>\examples\ldap-examples naar uw lokale map.

      Opmerking als u werkt met een andere LDAP-server dan deze twee, kunt u een van de twee voorbeeldbestanden als sjabloon gebruiken.

  3. Stel de vereiste LDAP-gegevens in en sla het bestand op.

    Opmerking als de LDAP-server geconfigureerd is voor een verbinding via SSL, moet u ervoor zorgen dat enableSSL = true in het bestand ldap.properties is ingesteld en dat in de Java Virtual Machine (JVM) van Release Control een beveiligingscertificaat is geïnstalleerd.