Deelvenster Databasemodus

In dit deelvenster kunt u de beveiligingsvereisten van Release Control configureren wanneer u in de databaseverificatiemodus werkt.

Openen Selecteer Module > Beheerder > tabblad Configuratie > Beveiliging > Verificatie > Databasemodus.
Relevante taken Werken in de database-verificatiemodus
Zie ook Gebruikersverificatie in Release Control - overzicht

Hieronder worden de elementen van de gebruikersinterface beschreven:

UI-elementen Beschrijving
Minimumlengte wachtwoord Hiermee bepaalt u hoeveel tekens een wachtwoord minimaal moet bevatten. Standaard moet een wachtwoord minimaal één teken bevatten.
Maximumlengte wachtwoord

Hiermee bepaalt u hoeveel tekens een wachtwoord maximaal mag bevatten. Dit getal moet groter zijn dan 25.

Standaard: 50

Validatiepatroon wachtwoord Geef met behulp van reguliere expressies op welke tekens een gebruikerswachtwoord mag bevatten. Gebruik bijvoorbeeld de volgende expressie om aan te geven dat een wachtwoord alle hoofd- en kleine letters en alle cijfers mag bevatten: ^[A-Z,a-z,0-9]$.
Foutmelding over validatiepatroon van wachtwoord Hiermee wordt aangegeven welk type foutmelding wordt weergegeven als het wachtwoord niet-toegestane tekens bevat.
Maximumlengte gebruikersnaam

Hiermee bepaalt u hoeveel tekens een gebruikersnaam maximaal mag bevatten. Dit getal moet groter zijn dan 25.

Standaard: 50

Minimumlengte gebruikersnaam

Hiermee bepaalt u hoeveel tekens een gebruikersnaam minimaal moet bevatten.

Standaard: 1

Validatiepatroon gebruikersnaam Geef met behulp van reguliere expressies op welke tekens een gebruikersnaam mag bevatten. Gebruik bijvoorbeeld de volgende expressie om aan te geven dat een gebruikersnaam alle hoofd- en kleine letters en alle cijfers mag bevatten: ^[A-Z,a-z,0-9]$.
Foutmelding over validatiepatroon van gebruikersnaam Hiermee wordt aangegeven welk type foutmelding wordt weergegeven als de gebruikersnaam niet-toegestane tekens bevat.