Contextpad wijzigen

Met het hulpprogramma 'Contextpad wijzigen' kunt u het contextpad in Release Control wijzigen van de standaardwaarde /ccm naar een andere waarde.

Als u het contextpad wilt wijzigen:

  1. Stop de Release Control-service.
  2. Voor Release Control tot en met versie 9.13: voer in Windows het bestand ChangeContextPath.bat uit.

    Voor Release Control vanaf versie 9.20: voer in Windows het batchbestand ChangeContextPath.bat uit of in Linux het shellscript ChangeContextPath.sh.

  3. Er wordt om het nieuwe contextpad gevraagd; voer dat in. Let op: het pad mag niet met een slash ('/'') beginnen of eindigen. De invoer /abc/ is bijvoorbeeld ongeldig. Zowel abc als a/b/c zijn wel correct.
  4. Controleer het serveradres. Selecteer in Release Control Module > Beheerder > Server. Pas zo nodig het serveradres aan.

    Opmerking als u voor Release Control gebruik maakt van een proxyserver, is het niet nodig om het serveradres aan te passen.

  5. Wijzig de adapterparameter in Universal CMDB. Als u in uCMDB geen gebruik maakt van de Release Control-wijzigingsadapter, kunt u deze stap overslaan.
    1. Voeg een nieuwe parameter voor de URL toe.

      Ga naar Adapterbeheer en selecteer in de lijst RcChangeAdapter. Klik op de uitvouwknop (+) en selecteer Adapters > RcChangeAdapter. Klik in de sectie Invoer op de knop Toevoegen. Voeg een nieuwe parameter toe met de naam url en de waarde ${SOURCE.url}.

      Klik in de sectie Adapterparameters op de knop Toevoegen. Voeg een nieuwe parameter toe met de naam url.

    2. Laat de parameter verwijzen naar het nieuwe contextpad.

      Ga naar Integration Studio en selecteer in de lijst Integratiepunt de waarde rc_ucmdb. Klik op de knop Bewerken om deze parameter te openen. Voer in het veld URL-overschrijving de nieuwe waarde van het contextpad in.

      In de hierboven weergegeven schermafbeelding is de naam van de Release Control-adapter rc_ucmdb. In uw omgeving kan een afwijkende naam zijn geconfigureerd. Als er geen adapter bestaat, dient u deze te maken.

  6. Start de Release Control-service opnieuw.
Wanneer u het contextpad van de /ccm-toepassing wijzigt, wordt het contextpad van de documentatie voor Release Control automatisch aangepast. Als u bijvoorbeeld het contextpad wijzigt naar /CCM/CustomerA, wordt het contextpad voor de documentatie van Release Control omgezet naar /CCM/CustomerA/rcdocs.